De term ‘autisme’ wordt geïntroduceerd in Nederland

De eerste gevallen van ‘vroegkinderlijk autisme’ worden beschreven in Nederland
18 februari 2020
Autisme wordt opgenomen in het Nederlands Handboek der Psychiatrie
18 februari 2020
1915

Tussen 1915 en 1918 werd door verschillende Nederlandse auteurs de term autisme voor het eerst gebruikt. De term was geïntroduceerd door Eugen Bleuler (1908, 1911) om een symptoom van schizofrenie aan te duiden: zich terugtrekken uit de realiteit en het overwegen van een eigen fantasiewereld. Het was dan ook in de context van besprekingen van het werk van Bleuler dat de term voor het eerst gebruikt werd en vertaald werd naar het Nederlands. Dit gebeurde in verschillende wetenschappelijk publicaties ongeveer tegelijk.

Autistisch als eigenzinnig en eenzaam


"De patiënt leeft geheel op zichzelf, bemoeit zich met niemand"

In 1915 werd de term ‘autistisch’ al in het Nederlands gebruikt door G.J.B.A. Jansen, in een dun boekje met de titel Karakter en psychose. Jansen schreef hierin over de “eigenaardige eigenschappen” van mensen met schizofrenie, die met de “autismus” wordt aangeduid door de “Züricher school”. Hij doelde natuurlijk op het werk van Eugen Bleuler, die in 1918 de term ‘autismus’ introduceerde als aanduiding van een symptoom van schizofrenie. Jansen schreef verder: “De term drukt treffend uit, wat zij bedoelen. De patiënt leeft geheel op zichzelf, bemoeit zich met niemand.” Jansen concludeerde uit de ideeën van Bleuler dat de “zeer autistische lijder van heden” in “gezonde dagen al autistisch” was. Patiënten met schizofrenie waren naar zijn bevinden al op jonge leeftijd “dwars en eigenzinnig” en voelden weinig voor “gezelligheid en gezelschap”. De term autistisch vertaalde hij uit het Duits, maar de term autismus vertaalde hij niet.

Autisme als de neiging fantasie boven de werkelijkheid te plaatsen


"De verklaring, door Bleuler gegeven, van het autisme [...] is slechts voor een deel der gevallen juist"

Een jaar later, in 1916, schreef C.W. Scheffer een Duitstalig artikel over autisme, in het internationaal georiënteerde tijdschrift Psychiatrische en Neurologische Bladen. Scheffer was als arts verbonden aan psychiatrisch instituut Veldwijk in Ermelo. Zijn artikel had de titel Über Autismus bei Patienten mit Dementia praecox. Scheffer beschreef hierin 9 casussen van volwassenen met schizofrenie. Een 27-jarige jongeman vertoonde bijvoorbeeld die “gradaties van autismus, tot aan het opgaan in een autistische wereld,” (p. 309). Bij een jongeman van 26 “was er autisme aanwezig, hij trekt zich terug, vermijdt alle contact met de omgeving” (p. 310).

In 1918 promoveerde C.W. Scheffer aan de Rijksuniversiteit Groningen op het proefschrift Over de waarde der Katatone symptomen. Een van de stellingen die hij verdedigde was: “De verklaring, door Bleuler gegeven, van het autisme […] is slechts voor een deel der gevallen juist” (p. 19). De term autisme komt in het proefschrift dan ook meerdere keren voor. Volgens Scheffer is autisme niet kenmerkend voor schizofrenie maar kan het wel “als zeer eigenaardig” worden gekenmerkt. Scheffer citeerde Bleuler’s omschrijving van autisme als “eene neiging […] om de eigen phantasie boven de werkelijkheid te plaatsen en zich van deze laatste af te zonderen” (1911, p. 10). In die omschrijving kon Scheffer zich maar deels vinden. Hij bekritiseerde de complexleer van Bleuler: het idee dat uit autisme het gevolg is van een onbewust complex dat de patiënt niet onder ogen kan zien en die hij door middel van fantasie probeert te bevredigen.

 

Autisme als abnormale overmacht van het autistisch denken


"De uitgang -isme wordt in de geneeskunde in het algemeen gebruikt om pathologische toestanden aan te duiden..."

In december 1919 werd aan de Rijksuniversiteit Leiden een tweede proefschrift verdedigd waarin gesproken werd over autisme, door zenuwarts Frans Pieter Muller. Net als Scheffer besprak hij Eugen Bleulers theorie over schizofrenie. Muller gebruikte daarbij de term autisme veelvuldig.

Muller was oorspronkelijk van plan geweest om Bleulers theorie toe te passen op casussen uit de psychiatrische praktijk en deze zo verder uit te werken. In de loop van het onderzoek bleek echter dat hij zich onvoldoende kon verenigen met de uitgangspunten van Bleulers theorie om deze toe te kunnen passen op de psychiatrische praktijk. Muller koos daarom voor een meer theoretische benadering met als doel uitgangspunten te vinden waar hij zich wel in kon vinden.

Muller’s kritiek op Bleuler was vooral conceptueel. Bleuler (1911) reserveerde de term autisme voor die gevallen waarin “een duidelijke graad van afwending van de werkelijkheid bestaat”. Het ging hem echt om mensen die wanen hadden en fantasie en werkelijkheid niet meer van elkaar kondern onderscheiden. Bleuler (1912) onderscheidde deze pathologische conditie later van autistisch denken: alledaagse vormen non-realisme, zoals dagdromen en fantasie. Mullers kritiek was dat terwijl Bleulers concept van autistisch denken alle vormen van alledaags non-realisme omvatte zijn concept van autisme niet alle vormen van pathologische non-realisme omvatte. Muller stelde voor beide concepten even breed te maken: de term autisme moest niet beperkt worden tot schizofrenie, maar alle soorten wanen omvatten, dus ook de wanen van mensen met manische depressie. Beide termen waren dan even breed en verschilden alleen van elkaar door de aan- of afwezigheid van pathologie. Om dat vast te stellen vond Muller Bleulers criterium dat er sprake moest zijn van “afwending van de werkelijkheid” onwerkbaar. In plaats daarvan stelde hij voor autisme te definiëren als een “abnormale overmacht van het autistisch denken” (p. 61). Muller benadrukte dat dit onderscheid niet absoluut was, maar dat er allerlei gradaties tussen beide uitersten bestonden.

 

Literatuur


  • Bleuler E: Die Prognose der Dementia praecox (Schizophreniegruppe). Allgemeine Zeitschrift für Psychiatrie und psychischgerichtliche Medizin 1908; 65:436–464
  • Bleuler, E. (1912). Das autistische Denken. Jahrbuch für psychoanalytische und psychopathologische Forschung, 4(1), 1-39.
  • Bleuler, Eugen. Dementia praecox or the group of schizophrenias. (1911).
  • Wilschut, J. (2005). Van dementia praecox naar schizofrenie. Over de receptie van Kraepelins en Bleulers concepten in Nederland. Tijdschrift voor Psychiatrie.