De eerste gevallen van ‘vroegkinderlijk autisme’ worden beschreven in Nederland

De term ‘autisten’ wordt voor het eerst toegepast op Nederlandse kinderen
22 juli 2018
De term ‘autisme’ wordt geïntroduceerd in Nederland
18 februari 2020
1952

Een geval van vroegkinderlijk autisme


"Alle symptomen van deze stoornis, die zich vanaf de geboorte af manifesteert [...] berusten op een onvermogen tot gevoelsmatig contact."

Begin 1952 publiceerde de Nederlandse kinderpsychiater Dirk Arnold van Krevelen in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde het artikel Een geval van ‘Early Infantile Autism’. In dit artikel beschreef hij een meisje “met verschijnselen welke als twee druppels water op het door Kanner ontworpen beeld lijken”. Van Krevelen refereerde hier aan twee artikelen uit 1943 en 1944 waarin de Amerikaanse kinderpsychiater Leo Kanner kinderen beschreef met wat hij ‘vroegkinderlijk autisme’ noemde.

Van Krevelen omschreef autisme als “een merkwaardige gevoelsstoornis” (p. 202), gekenmerkt door een “onvermogen tot gevoelsmatig contact”. Hij volgde hierin Leo Kanner, maar was selectief in wat hij van hem overnam. Volgens Kanner (1949) was vroegkinderlijk autisme in de basis een combinatie van twee stoornissen: een verstoring van affectief contact én een vorm van obsessiviteit. Van Krevelen nam de verstoring van het affectief contact over, maar obsessiviteit kwam in zijn artikel niet aan de orde. Volgens Van Krevelen waren alle symptomen van autisme uiteindelijk te herleiden tot een onvermogen tot gevoelsmatig contact.

Het meisje dat Van Krevelen beschreef was vier jaar toen hij haar zag. Hij zag bij haar een arm gevoelsleven. Ze lachte bijna nooit en was niet gesteld op liefkozingen. Haar gezicht was uitdrukkingsloos. Volgens haar ouders was ze meer gehecht aan dingen dan aan mensen. Haar jongere broertje negeerde ze of ze reageerde agressief op hem en beet hem. In de kliniek schonk ze bij binnenkomst van de speelkamer geen enkele aandacht aan de andere aanwezigen. Ze gedroeg zich alsof ze alleen in de kamer was. Alleen ten opzichte van haar moeder vertoonde ze “enige gevoelsreactie”. Ze klampte zich bijvoorbeeld aan haar moeder vast.

Volgens Van Krevelen kwamen haar andere eigenaardigheden voort uit dit arme gevoelsleven. Het meisje gebruikte taal niet om te communiceren maar herhaalde zinnen die tegen haar gezegd werd, soms wekenlang, en schijnbaar zonder aanleiding. Ze leek niet te beseffen wat die zinnen betekenden. Ze sloot zich of voor vreemde dingen en had moeite aan nieuwe situaties te wennen. Ze was dol op muziek en had een goed geheugen voor melodieën.

Van Krevelen had kritiek op Kanners suggestie dat het gebrek aan gevoelscontact bij kinderen met autisme te maken zou hebben met een gebrek aan warme in de opvoeding die ze kregen. Het viel Kanner op dat alle autistische kinderen die hij gezien had (toen 44 in totaal) intelligente ouders hadden die nogal mechanisch om gingen met hun kinderen. Volgens Van Krevelen was dit “een toevallige omstandigheid” (p. 205). Hij had het idee dat als ouders van autistische kinderen anders met hen omgingen dat eerder een reactie was op “het uitblijven van het door de ouders verwachte gevoelscontact en de daaruit voortvloeiende teleurstelling” (p. 205).

Ook was Van Krevelen het niet met Kanner eens dat vroegkinderlijk autisme een vroege vorm van schizofrenie zou zijn. Volgens Van Krevelen was het eerder “een vertraging van de persoonlijkheidsontwikkeling” (p. 205).

 

Het eerste boek over autisme


  • Infantiel autisme (1954)
  • J.J. Prick. L.N.J. Kamp, Ida Freye
  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie en Neurologie, sectie kinderpsychiatrie

In 1946 werd binnen de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie en Neurologie de sectie Kinderpsychiatrie opgericht. Zeven jaar later, in 1953,  wijdde de sectie twee vergaderingen aan ‘infantiel autisme’. In 1954 verschenen de bijdragen aan deze vergaderingen in de vorm van een boekje, met de titel Infantiel autisme. Dit was de eerste bundel ter wereld die volledig gewijd was aan autisme.

In zijn bijdrage Het autistische kind verwees J.J. Prick naar “verschillende patiëntjes die geheel voldeden aan de beschrijving, zoals die door Kanner gegeven is” (p. 13). Hij gaf geen beschrijvingen van deze patiëntjes. In plaats daarvan ging Prick in op een kenmerk dat hem bij al die patiëntjes was opgevallen en dat door Kanner niet beschreven was. Dit kenmerk was dat bij autistische kinderen, volgens Prick, de tastzin belangrijker was dan waarneming met de ogen en oren, terwijl dit bij andere kinderen van hun leeftijd andersom was. Het viel hem op dat autistische kinderen een starende blik hadden en zelden of nooit iemand aankeken en vaak niet reageerden als tegen hen gesproken werd. Omgekeerd kunnen ze zich uren vermaken met het aanraken en heen en waar draaien van voorwerpen.

In zijn artikel Over psychotische toestanden bij kinderen beschreef L.N.J. Kamp twee jongetjes die “autistisch psychotisch” waren; zo noemde hij de vorm van autisme die Leo Kanner had beschreven.Een 6-jarig jongetje brak alle smalle voorwerpen of uitsteeksel af, terwijl hij tegen zichzelf zei “Maar Johan, wat doe je nou” (p. 56). Een jongetje van vier jaar imiteerde als baby alleen geluiden van auto’s en treinen, niet van mensen, en leerde niet spreken. Later zei hij soms een enkel woord, zoals ‘banaan’ (zijn lievelingseten), maar met de rug naar anderen toe. Hij keek niemand aan. In de kliniek lette hij niet op de aanwezige volwassenen, maar keek naar de lamp en stampvoette omdat hij er niet bij kon. Dit type autisme was volgens Kamp erfelijk en werd volgens hem gekenmerkt door een toenemende afzondering van anderen.

Ook Ida Freye (ook bekend als Zuster Gaudia) beschreef autistische kinderen in haar artikel Behandeling van kinderen met een autistisch toestandsbeeld. Ze beschreef een autistisch meisje van 3,5 dat kon lopen maar dat zelden deed en nergens op reageerde.  Ook beschreef ze dat autistische kinderen graag puzzels maken en zich daarbij laten leiden door de vorm van de stukken in plaats van door de afbeelding. Volgens Frye was het gedrag van autistische kinderen op drie manieren afwijkend. Ten eerste was hun verhouding tot andere mensen afwijkend. Ze keken anderen niet aan en gedroegen zich alsof ze alleen in de kamer waren. Toch was het volgens Frye wel mogelijk om contact met zulke kinderen op te bouwen. Ten tweede zag ze bij autistische kinderen een andere beleving van het lichaam. Ze gingen op in losse lichamelijke sensaties, zoals ritmisch bewegen, en ervoeren zichzelf niet als “dragende eenheid” die deze sensaties tot een geheel maakt. Ten derde zag Frye bij autistische kinderen een andere omgang met “materiaal”: hun omgang met bijvoorbeeld speelgoed was niet doelgericht.

In het dagblad De Tijd schreef de psychiater J.J.C. Marlet dat het boek Infantiel autisme een symptoom was van een groeiende belangstelling bij psychiaters voor de problemen van kinderen. Marlet omschreef autisme in zijn boekbespreking als “een ziekelijk opgesloten zijn van het kind” en “een schuw, afwerend staan tegenover contacten met de buitenwereld”.

Een vierjarig meisje met infantiel autisme


"De voornaamste stoornis was de stoornis in het toenaderingsinstinct"

In 1995 publiceerde een vrouwelijke psychiater, mejuffrouw A.M. Plenter, een casus beschrijving van een 4 jarig meisje met infantiel autisme. Plenter was toen hoofd van de psychiatrische afdeling van het Gemeenteziekenhuis in Rotterdam, maar het meisje verbleef in de Kinderkliniek Beatrix-Irene.

Het meisje, in het artikel aangeduid met A., hield zich meestal bezig met een bepaald voorwerp. Vaak wiegde ze daarbij ritmisch op en neer en bekeek ze het object intens. Als andere mensen zich met haar spel gingen bemoeien, gooide ze het voorwerp opeens weg. Ze sprak niet en zocht geen contact met andere kinderen of met volwassenen. Ze wilde niet aangeraakt worden en verweerde zich hier hevig tegen. Als anderen haar met rust lieten had hun aanwezigheid geen invloed op haar. Soms kwam ze op iemand af om een voorwerp te pakken, zoals een pen, maar terwijl ze dat deed gromde ze verbeten.

Haar moeder vertelde dat ze A. als baby al niet tegen haar aan kon houden, waardoor borstvoeding onmogelijk was. Ze kromp als een bal ineen als haar moeder haar voetjes aanraakte. Ook opvallend was dat A. als baby nooit huilde.

Plenter concludeerde dat A. niet “totaal in zichzelf besloten was”, maar zocht vanaf het begin alleen toenadering zocht tot objecten, niet tot mensen. Daarom kreeg A. niet de diagnose kinderschizofrenie maar de diagnose infantiel autisme . Ze wees daarbij naar twee artikelen van Leo Kanner (1944, 1949), naar het werk van Van Krevelen en naar het boekje Infantiel autisme.

Literatuur


  • Een Geval van” Early Infantile Autism”. (1952). Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde 96: 202-206
  • Kanner, L. (1949). Problems of nosology and psychodynamics of early infantile autism. American journal of Orthopsychiatry, 19(3), 416.
  • Marlet, J.J.C. (1954, 7 april). Er is n’ tekort aan kinderpsychiaters. De Tijd.