Seksuele en relationele training
1 maart 2018
Radicaal open dialectische gedragstherapie
3 maart 2018

Autisme als stoornis van overbeheersing

Belang

 
De theorie van autisme als een stoornis van overbeheersing of overcontrole stelt dat autisme onderdeel is van een breder spectrum van stoornissen, waarin sprake is van 'overcontrole', in de zin van een hoge drempel voor reacties op de omgeving.
 

Autismepaspoort

 
Naam theorie Zelfbeheersingstheorie
Auteurs Jack en Jeanne Block
Beroep ontwikkelingspsychologen
Instelling University of California, Berekley
Nationaliteit Amerika
Medestanders Versterkte waarneming theorie, sociale signalering theorie
Tegenstanders Extreem mannelijk brein theorie
Bijbehorende behandeling Radicaal open dialectische gedragstherapie
 

Stellingen over zelfbeheersing

1
Resultaten van wetenschappelijk onderzoek uit de persoonlijkheidspsychologie leveren weinig tot geen empirisch bewijs dat gedrag bepaald wordt door persoonlijkheidstrekken. Op dezelfde manier wijst onderzoek uit de klinische psychologie erop dat er veel overlap bestaat tussen diagnostische classificaties. Daarom moeten we op een nieuwe manier over persoonlijkheid en mentale stoornissen denken, namelijk in termen van dimensies.
2
Zelfbeheersing is zo'n dimensioneel construct, met aan het ene eind van het continuüm overbeheersing en aan het andere eind onderbeheersing.
3
Het construct zelfbeheersing verwijst naar de drempel van een individu met betrekking tot reacties op de omgeving in de vorm van (1) uitstelling van behoeftebevrediging, (2) vatbaarheid voor afleiding vanuit de omgeving, (3) diffusie van spanningen, (4) intensiteit van de uiting van emoties, (5) verwerking van informatie, (7) duur van interesses en (8) tolerantie voor onvoorspelbaarheid.
4
Bij overbeheersing is de drempel voor reacties hoog. Overbeheersers (1) stellen bevrediging van hun behoeften gemakkelijk uit, (2) zijn moeilijk af te leiden, (3) kunnen hun spanning moeilijk kwijt, (4) vertonen weinig emoties, (5) verwerken informatie gedetailleerd, (6) hebben een beperkt aantal, relatief onveranderlijke interesses en (8) houden niet van onverwachte of onduidelijke situaties.
5
Bij onderbeheersing is de drempel voor reactie laag. Onderbeheersers (1) geven onmiddelijk toe aan hun neigingen, (2) zijn kwetsbaar voor afleiding vanuit de omgeving, (3) kunnen hun spanning gemakkelijk kwijt, (4) uiten hun gevoelens en behoeften spontaan, (5) verwerken informatie oppervlakkig en globaal, (6) hebben veel, relatief korte interesses en (8) staan open voor nieuwe, onbekende situaties.
6
Overbeheersing en onderbeheersing zijn in zichzelf niet goed of fout. Het probleem is een gebrek aan elasticiteit of flexibiliteit. Deze term verwijst naar het vermogen van het individu om diens niveau van zelfbeheersing in één van beide richtingen aan te passen aan de omgeving. Inflexibiliteit is het onvermogen om te reageren op de veranderlijke aspecten van de omgeving. Wanneer een individu zich, ongeacht de situatie, voortdurend aan het ene of andere einde van het continuüm bevindt is diens manier van zich gedragen niet-adaptief, omdat de omgeving wel steeds veranderd.
7
Overbeheersers zijn goed voor de groep. Ze houden zich aan de regels en verzetten zich tegen onrechtvaarigheid. Ze zijn spaarzaam en stellen bevrediging van hun behoeften uit, waardoor waardevolle hulpbronnen beschikbaar zijn op het moment dat het nodig is. Ze komen hun verplichten na en dragen zorg voor anderen.
8
De groep is echter niet goed voor overbeheersers. Zij komen buiten de groep te staan. Onderbeheersers krijgen vaak negatieve feedback, waardoor ze hun gedrag kunnen aanpassen, maar overbeheersers krijgen dat vaak niet. Ze hebben wel het idee dat er iets mis is, maar ze begrijpen niet waarom anderen hun mijden.

Kemerken van overcontrole

 
  • Hoge behoefte aan voorspelbaarheid: neiging tot compulsieve herhaling, sterke behoefte aan structuur en orde, neiging tot op regels gebaseerd gedrag en eisen van rigide vasthouden aan regels
  • Lage tolerantie voor onvoorspelbaarheid: weinig neiging om nieuwe situaties op te zoeken, moeite met onduidelijke en onverwachte situaties, moeite met aanpassing aan veranderende omstandigheden, neiging om sterk voorbedacht of voorbereid te zijn
  • Hoge concentratie van aandacht: de neiging om de aandacht sterk te vernauwen op één onderwerp en het vermogen om dit langdurig vol te houden
  • Lage afleidbaarheid: moeite om een eenmaal begonnen taak te onderbreken voordat deze af is, lage gevoeligheid voor afleiding vanuit de omgeving
  • Hoge zelfbeheersing: hoge tolerantie voor pijn en omgemak, hoge weerstand tegen verleiding, neiging om zelfcontrole te vergroten op het moment dat stress of vermoeidheid intreden
  • Lage impulsiviteit: weinig moeite met het uitstellen van behoeftenbevrediging, weinig neiging om zelfbeheersing te verliezen bij stress
  • Hoge detailgerichtheid: neiging om nieuwe en afwijkende informatie te ontdekken, neiging om details op te merken
  • Lage geheelgerichtheid: weinig neiging om informatie oppervlakkig te verwerken en snel in te vullen vanuit bestaande informatie
  • Hoge expressieve inhibitie: chronische en niet bij de context passende onderdrukking van expressie en navolging van de mimiek van de ander (mimicry), wat zich uit in een monotone stem en lichamelijke rigiditeit (strak gezicht, onbewegelijke houding)
  • Lage emotionele expressiviteit: moeite met het uitdrukken van emoties en zichtbaar maken van fluctuaties in stemming
  • Hoge opwinding: sterke neiging om het sympathetische autonome zenuwstelsel te activeren, dat er bij gevaar voor zorgt dat je je spieren aanspant en je stofwisseling verhoogt
  • Lage relaxatie: moeite om het parasympathetische autonome zenuwstelsel te activeren, dat bij veiligheid zorgt dat je lichaam zich ontspant
 

Ontwikkeling

  • 1923Freud

    In het boek The ego and the id introduceert de Oostenrijkse psychiater Sigmund Freud zijn functionele theorie van de persoonlijkheid als bestaand uit drie functies: de 'id' met impulsvorming als functie, de 'ego' met realiteitstoetsing als functie en de 'superego' met sociale oordeelsvorming als functie.
  • 1935Lewin

    In het boek A Dynamic Theory of Personality introduceert de Duits-Amerikaanse psycholoog Kurt Lewin zijn dynamische theorie van de persoonlijkheid, waarin minder aandacht is voor statische, onveranderlijke concepten en meer aandacht voor iemands dynamische, veranderlijke gemoedstoestand als factor die iemands gedrag beïnvloed. .
  • 1950Block & Block

    De Amerikaanse ontwikkelingspsychologen Jack en Jeanne Block promoveren op de toepassing van Lewin's model op Freud's concept van de ego. Zij introduceren de concepten ego-beheersing en ego-elasticiteit.
  • 2015Lynch

    In het artikel Radically Open-Dialectical Behavior Therapy for Disorders of Over-Control introduceert de Britse klinisch psycholoog Thomas Lynch het concept 'stoornis van overcontrole' en vernieuwt hij de theorie van Block en Block op basis van recenter onderzoeker.

Auteurs

Jacob Block (1924 - 2010) was een Amerikaanse ontwikkelingspsycholoog. Hij was getrouwd met Jeanne Block (1923 - 1981), met wie hij samen aan Stanford University promoveerde op de concepten ego-beheersing en ego-elasticiteit. Ook voerden zij samen een langtermijnonderzoek naar persoonlijkheidsontwikkeling uit.

 

Betekenis voor autismevriendelijk Nederland

 
In een autismevriendelijk Nederland is de groep even goed voor overbeheersers als overbeheersers voor de groep zijn. Er is niet alleen aandacht voor "dramatische" stoornissen zoals borderline, anti-sociale persoonlijkheidsstoornis, gedragsstoornis en bipolaire stoornis, maar ook voor de stille wanhoop van mensen met een stoornis van overbeheersing.
 

Links

Department of Psychology (2010), Jack Block, Professor Emeritus of Psychology

Comments are closed.

x

Wij gebruiken cookies om u de beste online ervaring te bieden. Door akkoord te gaan, accepteert u het gebruik van cookies in overeenstemming met ons cookiebeleid.

I accept I decline

Send this to a friend